Kubernetes als vliegveld: waar landt jouw applicatie?

Waar te beginnen met innoveren: de applicatie of het platform? Het lijkt een lastig vraagstuk, maar met de beschikbaarheid van kant-en-klare Kubernetes-clusters is het niet zo lastig. Denk je eens in: als je wilt vliegen, bouw je dan ook eerst een vliegveld?

Veel organisaties slagen er niet in om nieuwe releases van hun applicaties snel genoeg naar de cloud te brengen. Ondanks grote infrastructurele investeringen lukt het maar steeds niet. Ons advies: maak het niet te ingewikkeld. Met Kubernetes is het mogelijk om applicatiemanagement te versimpelen én te versnellen. Maar denk dan wel vanuit de functionaliteit. Om te illustreren wat wij hiermee bedoelen gebruiken we de luchtvaart als een passende metafoor. Stel: je wilt gaan vliegen. Je kunt dan een luchthaven gaan bouwen, met terminals, transportbanden voor de bagage, een paspoortcontrole en een landingsbaan voor de vliegtuigen. Onzin natuurlijk, als er al luchthavens zijn waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen.

 

Overal zijn vliegvelden

Toch beginnen veel bedrijven met het bouwen van complete ‘vliegvelden’. Een Kubernetes-cluster is als een vliegveld. En daarvan zijn er talloze exemplaren beschikbaar als cloudoplossing. Hierop kun je gewoon beginnen met het bouwen van je applicaties (de vliegtuigen). Oké, ze landen dan nog niet op jouw vliegveld, maar je weet in ieder geval dat je een betrouwbaar vliegtuig hebt dat van A naar B kan vliegen. Terwijl je een plek hebt om je applicaties te hosten, kun je als organisatie verder bouwen aan de businesscase om uiteindelijk (maar dit is zeker niet verplicht) je eigen vliegveld te gaan bouwen.

Het is een klassiek kip-of-ei-probleem: bouw je eerst de applicatie of het platform? Ons advies is om te beginnen met het ding dat kan vliegen. De kip dus, oftewel de applicatie. En kies daarbij een Kubernetes-cluster dat al gebouwd is, bijvoorbeeld een oplossing van Azure of Oracle. Zodra er gevlogen wordt (dus de applicatie draait en er zijn regelmatig releases), kun je gaan kijken of de toepassing aan de verwachtingen voldoet. Levert de applicaties op wat het moet opleveren? Is de time to market snel genoeg? En wat zijn de standaarden waar nog werk valt te verzetten? De kans is reëel dat de businesskant van je organisatie dan gaat zeggen: “Als het zo draait, ben ik er ook mee akkoord.”

 

Functionaliteit gaat voor

Moet je per sé vanuit Schiphol vertrekken? Dit kan een wens zijn, maar als er vanmiddag nog een vlucht geregeld is vanaf Rotterdam Airport zegt waarschijnlijk niemand ‘nee’. Dit is de functionaliteit van waaruit je als IT-organisatie zou kunnen denken. Tegelijkertijd is natuurlijk het ene vliegveld het andere niet. Wie regelmatig vliegt, ziet de verschillen. Denk bijvoorbeeld aan de mensenmassa’s, waarvan de doorstroom op sommige plekken heel goed is geregeld terwijl er op andere luchthavens vaak wachtrijen staan. En zo is het ook met datastromen. Je kunt rustig doorbouwen aan je eigen luchthaven, waar de datastromen optimaal geregeld zijn voor jouw gebruik en waar ook voorzieningen zijn getroffen voor door jouw organisatie gehanteerde standaarden. Maar ondertussen wordt er al wel gevlogen.

Bij innoveren gaat het om accelereren. Om deze versnelling te bereiken is het vaak beter om de hele ‘infrastructuurdiscussie’ even te laten rusten en meer aandacht aan de applicatiekant te schenken. Een top-down functionaliteit itereert nu eenmaal supersnel, terwijl het bouwen volgens een bottom-up benadering juist trager werkt. Deze trend komt onder meer terug in het boek ‘Accelerate’ (Nicole Forsgren, Gez Humble & Gene Kim), dat dat laat zien hoe high-performance organisaties hun software delivery organiseren. Maar mocht je maar één ding onthouden na het lezen van deze blog, dan is het wel dit: denk vanuit de functionaliteit. Want het is uiteindelijk de boodschap die moet landen.